Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
raconter
01
vertellen, verhalen
dire ou narrer un événement, une histoire ou une expérience
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
raconte
1e persoon meervoud
racontons
1e persoon toekomende tijd
raconterai
onvoltooid deelwoord
racontant
voltooid deelwoord
raconté
1e persoon meervoud imperfectum
racontions
Voorbeelden
Elle a raconté ce qui s' est passé hier soir.
Ze vertelde wat er gisteravond gebeurde.



























