Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
prononcer
01
uitspreken, articuleren
dire un mot ou une phrase de manière compréhensible
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
prononce
1e persoon meervoud
prononçons
1e persoon toekomende tijd
prononcerai
onvoltooid deelwoord
prononçant
voltooid deelwoord
prononcé
1e persoon meervoud imperfectum
prononcions
Voorbeelden
Les enfants apprennent à prononcer les lettres.
De kinderen leren de letters uit te spreken.
02
uitspreken, zeggen
dire ou formuler une parole, un discours
Voorbeelden
Les étudiants prononcent leurs textes devant la classe.
De studenten spreken hun teksten voor de klas uit.



























