participer
01
deelnemen, meedoen
prendre part à une activité ou un événement
Voorbeelden
Elle participe toujours aux événements de l' école.
Ze neemt altijd deel aan schoolactiviteiten.
02
deelnemen, actief zijn
agir ou être actif dans une activité ou un projet
Voorbeelden
Elle participe régulièrement.
Zij neemt regelmatig deel.
03
deelnemen, delen
être impliqué ou avoir une part dans quelque chose
Voorbeelden
Elle participe aux décisions importantes.
Neemt deel aan belangrijke beslissingen.



























