Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
parader
01
opmarcheren in een parade, deelnemen aan een parade
marcher en formation pour une cérémonie ou un défilé
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
parade
1e persoon meervoud
paradons
1e persoon toekomende tijd
paraderai
onvoltooid deelwoord
paradant
voltooid deelwoord
paradé
1e persoon meervoud imperfectum
paradions
Voorbeelden
Les soldats paradent pour la fête nationale.
De soldaten paraderen voor de nationale feestdag.
02
pronken, opscheppen
se montrer de façon voyante pour attirer l'attention ou impressionner
Voorbeelden
Il aime parader avec sa nouvelle voiture.
Hij houdt ervan om met zijn nieuwe auto te pronken.



























