Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
parader
01
opmarcheren in een parade, deelnemen aan een parade
marcher en formation pour une cérémonie ou un défilé
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
parade
1e persoon meervoud
paradons
1e persoon toekomende tijd
paraderai
onvoltooid deelwoord
paradant
voltooid deelwoord
paradé
1e persoon meervoud imperfectum
paradions
Voorbeelden
Les cadets paradent tous les matins dans la cour.
De cadetten paraderen elke ochtend op de binnenplaats.
02
pronken, opscheppen
se montrer de façon voyante pour attirer l'attention ou impressionner
Voorbeelden
Ils paradent après leur victoire.
Ze paraderen na hun overwinning.



























