Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
lécher
01
likken, met de tong aanraken
toucher quelque chose avec la langueÂ
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
lĂšche
1e persoon meervoud
léchons
1e persoon toekomende tijd
lécherai
voltooid deelwoord
léché
1e persoon meervoud imperfectum
léchions
Voorbeelden
Le chien a lĂ©chĂ© ma main.Â
De hond likte mijn hand.
02
polijsten, vervolmaken
travailler quelque chose avec beaucoup de soin pour qu'il soit parfaitÂ
Voorbeelden
Il a lĂ©chĂ© son texte avant de l'envoyer.Â
Hij likte zijn tekst voordat hij hem verstuurde.
03
likken, zachtjes aanraken
venir frĂŽler doucement le rivageÂ
Voorbeelden
Les vagues lĂšchent doucement la plage.Â
De golven likken zachtjes het strand.



























