gesticuler
01
gebaren maken, zwaaien met de handen
faire des mouvements vifs des bras et des mains en parlant
Voorbeelden
Le présentateur gesticulait en expliquant les règles.
De presentator gebarende terwijl hij de regels uitlegde.
02
trekken, trillen
faire des mouvements involontaires ou nerveux
Voorbeelden
Arrête de gesticuler sur ta chaise !
Stop met friemelen op je stoel!



























