gentil
01
aardig, vriendelijk
qui est doux, aimable et attentionné
Voorbeelden
Le professeur est gentil avec les élèves.
De leraar is aardig tegen de leerlingen.
02
schattig, aangenaam
qui est joli, agréable à voir
Voorbeelden
Il a un sourire gentil qui éclaire la pièce.
Hij heeft een vriendelijke glimlach die de kamer verlicht.
03
beleefd, vriendelijk
qui agit avec respect et bonne manière
Voorbeelden
Les enfants doivent être gentils à l' école.
Kinderen moeten beleefd zijn op school.
04
acceptabel, geschikt
qui peut être accepté, convenable
Voorbeelden
Le niveau de bruit ici est gentil pour la ville.
Het geluidsniveau hier is acceptabel voor de stad.



























