Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
dérouter
01
omleiden, van koers doen afwijken
faire changer de direction ou de route quelqu'un ou quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
déroute
1e persoon meervoud
déroutons
1e persoon toekomende tijd
dérouterai
onvoltooid deelwoord
déroutant
voltooid deelwoord
dérouté
1e persoon meervoud imperfectum
déroutions
Voorbeelden
L' incident a dérouter le navire vers le port voisin.
Het incident leidde het schip om naar de naburige haven.
02
in verwarring brengen, verbijsteren
rendre quelqu'un confus ou incapable de savoir quoi faire
Voorbeelden
Cette question complexe m' a complètement dérouter.
Deze complexe vraag heeft me volledig in verwarring gebracht.



























