Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
débrancher
01
loskoppelen, uit het stopcontact halen
déconnecter un appareil d'une source d'énergie ou d'un réseau
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
débranche
1e persoon meervoud
débranchons
1e persoon toekomende tijd
débrancherai
onvoltooid deelwoord
débranchant
voltooid deelwoord
débranché
1e persoon meervoud imperfectum
débranchions
Voorbeelden
Débranche la télévision pendant l' orage.
Trek de televisie uit tijdens de onweersbui.



























