douter
01
twijfelen, betwijfelen
ne pas être certain de quelque chose, avoir des incertitudes
Voorbeelden
Nous doutons qu' il vienne à la réunion.
We twijfelen of hij naar de vergadering komt.
02
wantrouwen, twijfelen
manquer de confiance en quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
Nous doutons de la fiabilité de ce témoignage.
We twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit getuigenis.
03
verdenken, aanvoelen
avoir l'intuition ou le pressentiment de quelque chose
Voorbeelden
Tu ne te doutais pas de la vérité ?
Vermoedde je de waarheid niet?



























