Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
coûter
01
kosten, bedragen
avoir un prix à payer pour être obtenu
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
coûte
1e persoon meervoud
coûtons
1e persoon toekomende tijd
coûterai
onvoltooid deelwoord
coûtant
voltooid deelwoord
coûté
1e persoon meervoud imperfectum
coûtions
Voorbeelden
Le repas a coûté très cher.
De maaltijd kostte erg veel.
02
duur te staan komen, verlies veroorzaken
causer une perte, une douleur ou une conséquence négative à quelqu'un
Voorbeelden
Cela m' a coûté beaucoup de temps et d' énergie.
Dat heeft me veel tijd en energie gekost.



























