courir
courir
kuʁiʁ
koorir
couvrir

Definitie en betekenis van "courir"in het Frans

courir
01

racen

participer à une course ou essayer d'aller vite dans une compétition 
courir definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
cours
1e persoon meervoud
courons
1e persoon toekomende tijd
courrai
onvoltooid deelwoord
courant
voltooid deelwoord
couru
1e persoon meervoud imperfectum
courions
Voorbeelden
Elle court un marathon chaque année. 

Ze loopt elk jaar een marathon.

02

rennen, hardlopen

se déplacer rapidement en courant 
courir definition and meaning
Voorbeelden
Il aime courir dans le parc. 

Hij houdt ervan om in het park te rennen.

03

zich haasten, haast maken

se dépêcher d'aller quelque part ou voir quelqu'un 
courir definition and meaning
Voorbeelden
Je cours chez le médecin dès que je peux. 

Ren naar de dokter zodra ik kan.

04

duren, voortduren

continuer, rester valable ou actif pendant un certain temps 
courir definition and meaning
Voorbeelden
Le spectacle court jusqu'à minuit. 

De show loopt tot middernacht.

05

circuleren

se déplacer rapidement ou se propager dans un lieu ou parmi des personnes, comme une information, un liquide ou une rumeur 
courir definition and meaning
Voorbeelden
Une rumeur court dans la ville. 

Een gerucht gaat rond in de stad.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store