Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
apprendre
01
leren, studeren
acquérir des connaissances ou des compétences par l'étude ou l'expérience
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
apprends
1e persoon meervoud
apprenons
1e persoon toekomende tijd
apprendrai
onvoltooid deelwoord
apprenant
voltooid deelwoord
appris
1e persoon meervoud imperfectum
apprenions
Voorbeelden
Nous apprenons beaucoup de nos erreurs.
We leren veel van onze fouten.
02
leren, onderwijzen
transmettre des connaissances ou des compétences à quelqu'un
Voorbeelden
Elle apprend le français aux étrangers.
Zij leert buitenlanders Frans.
03
mededelen, vertellen
faire connaître une information à quelqu'un, lui annoncer une nouvelle
Voorbeelden
Qui va leur apprendre la nouvelle ?
Wie gaat hun het nieuws leren?
04
te weten komen, horen
recevoir une information, être informé de quelque chose
Voorbeelden
Nous venons d' apprendre votre mariage !
We hebben net over je bruiloft gehoord.



























