Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
apporter
01
brengen, aanleveren
porter quelque chose avec soi jusqu'à l'endroit où se trouve quelqu'un ou vers un lieu
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
apporte
1e persoon meervoud
apportons
1e persoon toekomende tijd
apporterai
onvoltooid deelwoord
apportant
voltooid deelwoord
apporté
1e persoon meervoud imperfectum
apportions
Voorbeelden
Peux - tu m'apporter un verre d'eau ?
Kun je me een glas water brengen?
02
veroorzaken, teweegbrengen
causer, produire ou entraîner un effet, souvent positif ou concret (résultat, aide, solution, etc.)
Voorbeelden
Cette décision a apporté beaucoup de changements.
Dit besluit bracht veel veranderingen.
03
aanbrengen, verstrekken
donner ou fournir quelque chose qui aide, soutient ou complète une situation, une personne, ou un projet
Voorbeelden
Cette formation apporte des compétences essentielles.
Deze training brengt essentiële vaardigheden.



























