activer
01
activeren, in werking stellen
faire fonctionner ou déclencher quelque chose
Voorbeelden
Le technicien a activé la machine.
De technicus activeerde de machine.
02
versnellen, bespoedigen
augmenter la vitesse ou l'intensité d'une action
Voorbeelden
Ils ont activé les préparatifs pour la fête.
Ze activeerden de voorbereidingen voor het feest.
03
handelen, werken
se donner du mal, se mettre à faire quelque chose avec activité
Voorbeelden
Je m' active pour préparer le repas.
Ik activeer mezelf om de maaltijd voor te bereiden.



























