Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
accompagner
01
begeleiden, meegaan
aller avec quelqu'un pour lui tenir compagnie ou pour l'aider
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
accompagne
1e persoon meervoud
accompagnons
1e persoon toekomende tijd
accompagnerai
onvoltooid deelwoord
accompagnant
voltooid deelwoord
accompagné
1e persoon meervoud imperfectum
accompagnions
Voorbeelden
Il a accompagné son ami chez le médecin.
Hij begeleidde zijn vriend naar de dokter.
02
met zich meebrengen, involveren
avoir comme conséquence ou effet
Voorbeelden
Son comportement s' accompagne souvent de colère.
Zijn gedrag gaat vaak gepaard met woede.



























