Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
cabecear
01
in slaap vallen, dommelen
tener sueño y comenzar a dormirse sentado
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
cabeceo
3e persoon enkelvoud
cabecea
onvoltooid deelwoord
cabeceando
onvoltooid verleden tijd
cabeceó
voltooid deelwoord
cabeceado
Voorbeelden
El abuelo cabeceaba en su sillón favorito.
De opa dommelde in zijn favoriete fauteuil.
02
knikken, het hoofd schudden
mover la cabeza para indicar sí o no
Voorbeelden
Cabeceó con una sonrisa de entendimiento.
Knikte met een begrijpende glimlach.
03
koppen, hoofd
golpear el balón con la cabeza
Voorbeelden
Cabeceó hacia la portería pero el portero la atajó.
Hij cabeceó richting het doel maar de keeper redde het.



























