Zoeken
patinar
[past form: patiné][present form: patino]
01
schaatsen, glijden
deslizarse sobre hielo, ruedas u otra superficie usando patines
Voorbeelden
Él sabe patinar muy bien sobre ruedas.
Hij weet hoe hij heel goed kan schaatsen op wielen.
02
uitglijden, wegglijden
deslizarse sin control sobre una superficie resbaladiza
Voorbeelden
La moto patinó en la curva y el conductor cayó.
De motor gleed uit in de bocht en de bestuurder viel.



























