Zoeken
pensar
[past form: pensé][present form: pienso]
01
denken
usar la mente para formar ideas o reflexionar sobre algo
Voorbeelden
Ellos piensan en sus vacaciones.
Zij denken aan hun vakantie.
02
geloven, denken
creer o tener una opinión sobre algo o alguien
Voorbeelden
Piensan que el viaje será divertido.
Zij denken dat de reis leuk zal zijn.
03
van plan zijn, plannen
tener la intención o plan de hacer algo
Voorbeelden
Pensamos organizar una fiesta sorpresa.
We denken erover een verrassingsfeestje te organiseren.
04
zichzelf beschouwen, zichzelf voorstellen
considerarse o imaginarse a uno mismo de una manera determinada
Voorbeelden
Ella se piensa una gran artista.
Zij beschouwt zichzelf als een groot kunstenaar.



























