Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
renovar
01
renoveren, opknappen
hacer que algo viejo parezca nuevo o funcione mejor
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
renuevo
3e persoon enkelvoud
renueva
onvoltooid deelwoord
renovando
onvoltooid verleden tijd
renové
voltooid deelwoord
renovado
Voorbeelden
Vamos a renovar la cocina este año.
We gaan de keuken dit jaar renoveren.
02
vernieuwen, verlengen
hacer que algo dure más tiempo o continuar su vigencia
Voorbeelden
Voy a renovar mi pasaporte este mes.
Ik ga deze maand mijn paspoort vernieuwen.
03
zich vernieuwen, zich regenereren
seguir existiendo o actualizándose con el tiempo
Voorbeelden
La energía del equipo se renueva con cada victoria.
De energie van het team vernieuwt zich met elke overwinning.



























