Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
bajar
01
afdalen
moverse hacia un lugar más bajo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
bajo
3e persoon enkelvoud
baja
onvoltooid deelwoord
bajando
onvoltooid verleden tijd
bajé
voltooid deelwoord
bajado
Voorbeelden
El gato bajó del árbol.
De kat daalde af van de boom.
02
dalen
disminuir en nivel, cantidad o intensidad
Voorbeelden
El nivel del agua ha bajado por la sequía.
Het waterpeil is gedaald door de droogte.
03
uitstappen, uitstappen
salir de un vehículo
Voorbeelden
Baja del coche con cuidado, hay mucho tráfico.
Stap voorzichtig uit de auto, er is veel verkeer.



























