Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
gaan
moverse de un lugar a otro
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
voy
3e persoon enkelvoud
va
onvoltooid deelwoord
yendo
onvoltooid verleden tijd
fui
voltooid deelwoord
ido
Voorbeelden
Nosotros vamos de viaje a México.
Wij gaan op reis naar Mexico.
02
vertrekken
salir de un lugar y alejarse de él
Voorbeelden
¿ Te vas ahora o después?
Gaat u nu of later ?
03
gaan
desplazarse a un lugar para visitarlo o permanecer temporalmente
Voorbeelden
Mis padres fueron a España el año pasado.
Mijn ouders zijn vorig jaar naar Spanje gegaan.
04
gaan
expresar una acción futura o intención próxima usando el verbo "ir" seguido de un infinitivo
Voorbeelden
Vamos a comprar una casa nueva.
We gaan een nieuw huis kopen.
05
zich verwijderen door te rijden, wegrijden
alejarse conduciendo un vehículo
Voorbeelden
El taxi se fue antes de que yo pudiera decirle nada.
De taxi reed weg voordat ik iets kon zeggen.



























