Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to flit
01
fladderen, rondflitsen
to move quickly and lightly from somewhere or something to another
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
flit
3e persoon enkelvoud
flits
onvoltooid deelwoord
flitting
onvoltooid verleden tijd
flitted
voltooid deelwoord
flitted
Voorbeelden
His attention flits from one task to another, making it hard to focus on anything for long.
Zijn aandacht fladdert van de ene taak naar de andere, waardoor het moeilijk is om lang op iets te focussen.
01
een plotselinge beweging, een snelle beweging
a sudden, rapid, or light movement
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
flits
Voorbeelden
The shadow made a quick flit across the wall.
De schaduw maakte een snelle beweging over de muur.
02
een stille ontsnapping, een heimelijke vlucht
an act of moving secretly or stealthily, especially to evade obligations
Voorbeelden
The con artist 's flit left the authorities baffled.
De heimelijke vlucht van de oplichter verbaasde de autoriteiten.
03
homo, flikker
a gay man
offensive
slang
Voorbeelden
The flit tripped but laughed it off.
De homo struikelde maar lachte het weg.



























