Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to fizzle
01
mislukken, uitdoven
to fail or end in a weak or disappointing manner
informal
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
fizzle
3e persoon enkelvoud
fizzles
onvoltooid deelwoord
fizzling
onvoltooid verleden tijd
fizzled
voltooid deelwoord
fizzled
Voorbeelden
The romantic relationship started with passion but eventually fizzled, leading to a mutual decision to part ways.
De romantische relatie begon met passie maar verflauwde uiteindelijk, wat leidde tot een gezamenlijk besluit om uit elkaar te gaan.
Fizzle
01
flop, teleurstelling
something that ends unsuccessfully or disappointingly
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
fizzles
Voorbeelden
The movie was hyped as a blockbuster but ended as a fizzle.
De film werd aangeprezen als een blockbuster maar eindigde als een flop.
02
sisgeluid, gemompel van afkeuring
a fricative sound, often a soft hiss, sometimes expressing disapproval or disappointment
Voorbeelden
The soda escaped the bottle with a soft fizzle.
De frisdrank ontsnapte uit de fles met een zacht fizzle.



























