deficit
de
ˈdɛ
de
fi
fi
cit
sɪt
sit
British pronunciation
/ˈdɛfɪsɪt/

Definitie en betekenis van "deficit"in het Engels

01

tekort, gebrek

the difference between the needed amount that is higher than the available amount, especially money
example
Voorbeelden
The trade deficit widened as imports exceeded exports for the fourth consecutive quarter.
Het handelstekort werd groter omdat de import voor het vierde opeenvolgende kwartaal de export overtrof.
02

tekort, gebrek

an amount by which what is needed or expected exceeds what is available
example
Voorbeelden
The city faced a deficit of affordable housing.
De stad werd geconfronteerd met een tekort aan betaalbare woningen.
03

tekort, achterstand

the amount by which a competitor or team is losing
example
Voorbeelden
He reduced the deficit with a crucial goal.
Hij verminderde het tekort met een cruciaal doelpunt.
04

deficit, stoornis

a weakness or loss in cognitive or neurological function
example
Voorbeelden
Learning deficits can be addressed with specialized education.
Leertekorten kunnen worden aangepakt met gespecialiseerd onderwijs.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

stars

app store