calendar
ca
ˈkæ
len
lɪn
lin
dar
dər
dēr
/ˈkælɪndə/

Definitie en betekenis van "calendar"in het Engels

01

kalender, jaaroverzicht

a page or set of pages showing the days, weeks, and months of a particular year, especially one put on a wall
calendar definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
calendars
Voorbeelden
My son has a calendar in his room where he marks the countdown to his birthday.
Mijn zoon heeft een kalender in zijn kamer waarop hij de aftelling naar zijn verjaardag markeert.
02

kalender, almanak

‌a system that measures and divides the year into specified periods
calendar definition and meaning
Voorbeelden
Different cultures may use various calendars, such as the lunar calendar or the Hebrew calendar, to mark time.
Verschillende culturen kunnen verschillende kalenders gebruiken, zoals de maankalender of de Hebreeuwse kalender, om de tijd aan te duiden.
03

kalender, agenda

a schedule or register listing planned events or appointments
Voorbeelden
His calendar showed no free days this week.
Zijn kalender toonde geen vrije dagen deze week.
to calendar
01

kalender, plannen

to record or schedule by placing on a calendar
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
calendar
3e persoon enkelvoud
calendars
onvoltooid deelwoord
calendaring
onvoltooid verleden tijd
calendared
voltooid deelwoord
calendared
Voorbeelden
They calendared the interview immediately.
Ze kalenderden het interview onmiddellijk.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store