Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to add up
01
kloppen, logisch zijn
to be logically consistent
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
add
tegenwoordige tijd
add up
3e persoon enkelvoud
adds up
onvoltooid deelwoord
adding up
onvoltooid verleden tijd
added up
voltooid deelwoord
added up
Voorbeelden
The financial figures in the report don't add up; there seems to be an error.
De financiële cijfers in het rapport kloppen niet; er lijkt een fout te zijn.
02
ophopen, toenemen
to increase in number or amount over time
Intransitive
Voorbeelden
The pressure has been adding up at work, and it's starting to affect my stress levels
De druk hoopt zich op op het werk, en het begint mijn stressniveau te beïnvloeden.
03
optellen, de som berekenen
to find the total of a set of numbers or quantities
Transitive: to add up numbers or quantities
Voorbeelden
Please add up the expenses for the month and provide me with the total.
Tel alstublieft de uitgaven van de maand op en geef me het totaal.
04
evalueren, zich een mening vormen
to form an opinion by considering different factors
Transitive: to add up an opinion
Voorbeelden
After hearing all the arguments in the debate, I added up my opinion on the topic.
Na het horen van alle argumenten in het debat, telde ik mijn mening over het onderwerp bij elkaar.



























