Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
chippy
01
prikkelbaar, gevoelig
easily annoyed, often over small things
Voorbeelden
Do n’t be so chippy; it ’s just a minor mistake.
Doe niet zo prikkelbaar; het is maar een klein foutje.
02
agressief, strijdlustig
inclined toward aggressiveness
Voorbeelden
The game got heated because of the chippy behavior from both teams.
Het spel werd heet vanwege het agressieve gedrag van beide teams.
Chippie
01
viswinkel, fish and chips-winkel
a store that sells fish and chips
Dialect
British
Voorbeelden
He works at the chippie down the street from the pub.
Hij werkt bij de viswinkel verderop in de straat vanaf de pub.
02
timmerman, meubelmaker
someone who works with wood to build or repair things
Dialect
British
Voorbeelden
The chippie finished the wooden frame just in time.
De timmerman heeft het houten frame net op tijd afgemaakt.
03
hoer, vrouw van lichte zeden
someone who exchanges sexual services for money
Voorbeelden
She knew her husband was seeing a chippie on the side.
Ze wist dat haar man een hoer aan de kant zag.
Lexicale Boom
chippy
chip



























