Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to buckle up
01
vastmaken, bevestigen
to securely fasten something
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
buckle
tegenwoordige tijd
buckle up
3e persoon enkelvoud
buckles up
onvoltooid deelwoord
buckling up
onvoltooid verleden tijd
buckled up
voltooid deelwoord
buckled up
Voorbeelden
In the workshop, participants were reminded to buckle up their tools.
In de workshop werden de deelnemers eraan herinnerd hun gereedschap vast te maken.
02
de gordel vastmaken, zich vastgespen
to attach the seat belt around oneself
Voorbeelden
As a responsible driver, always insist that your passengers buckle up.
Als een verantwoordelijke chauffeur, dring er altijd op aan dat uw passagiers de gordel omdoen.
buckle up
01
Maak je gordel vast, Maak je klaar
used to advise someone to prepare for a potentially challenging or turbulent situation
Voorbeelden
The project deadline is tomorrow. Buckle up, we have a long night ahead of us.
De projectdeadline is morgen. Maak je klaar, we hebben een lange nacht voor de boeg.



























