Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to witness
01
getuigen, zien
to see an act of crime or an accident
Transitive: to witness a crime or an accident
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
witness
3e persoon enkelvoud
witnesses
onvoltooid deelwoord
witnessing
onvoltooid verleden tijd
witnessed
voltooid deelwoord
witnessed
Voorbeelden
Last night, I witnessed a hit-and-run incident on the street.
Gisteravond heb ik een hit-and-run incident op straat meegemaakt.
02
getuigen, bijwonen
to have firsthand knowledge of a development or event through observation or personal experience
Transitive: to witness a development or event
Voorbeelden
She witnessed the transformation of the abandoned building into a vibrant community center.
Ze was getuige van de transformatie van het verlaten gebouw in een levendig gemeenschapscentrum.
Witness
01
getuige, ooggetuige
a person who sees an event, especially a criminal scene
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
witnesses
Voorbeelden
The witness identified the suspect in a police lineup after the incident.
De getuige identificeerde de verdachte in een politieopstelling na het incident.
02
toeschouwer, deelnemer
a person who views or attends something, such as a performance, exhibition, or event
Voorbeelden
Witnesses marveled at the scientific experiment.
De getuigen verwonderden zich over het wetenschappelijke experiment.
03
getuige, geloofsgetuige
a person who gives testimony, action, or example demonstrating religious faith
Voorbeelden
The missionary traveled abroad as a witness of her religion.
De missionaris reisde naar het buitenland als getuige van haar religie.
04
getuige, getuige-deskundige
a person who testifies under oath in a court of law
Voorbeelden
The defense cross-examined the witness thoroughly.
De verdediging heeft de getuige grondig verhoord.
Lexicale Boom
witnesser
witness



























