Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to vacuum
01
stofzuigen
to clean a surface by using a machine that sucks up dirt, dust, etc.
Dialect
Transitive: to vacuum a surface
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
vacuum
3e persoon enkelvoud
vacuums
onvoltooid deelwoord
vacuuming
onvoltooid verleden tijd
vacuumed
voltooid deelwoord
vacuumed
Voorbeelden
She vacuums the carpets in the living room every week to keep them clean.
Ze stofzuigt de tapijten in de woonkamer elke week om ze schoon te houden.
Vacuum
01
stofzuiger, elektrische stofzuiger
an electrical appliance that cleans surfaces by suction
Voorbeelden
She bought a new vacuum for cleaning the carpet.
Ze kocht een nieuwe stofzuiger om het tapijt schoon te maken.
02
vacuüm, lege ruimte
an empty area or gap in a physical sense
Voorbeelden
There was a vacuum in the room where furniture had been removed.
Er was een vacuüm in de kamer waar het meubilair was verwijderd.
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
vacuums
Voorbeelden
In physics, a vacuum is defined as a space devoid of any matter particles, including atoms and molecules.
In de natuurkunde wordt een vacuüm gedefinieerd als een ruimte die vrij is van alle materiedeeltjes, inclusief atomen en moleculen.
04
vacuüm, leemte
a gap, lack, or absence in a situation, system, or abstract context
Voorbeelden
There was a vacuum in the schedule between meetings.
Er was een leemte in het schema tussen de vergaderingen.



























