Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to vacuum
01
stofzuigen
to clean a surface by using a machine that sucks up dirt, dust, etc.
Dialect
Transitive: to vacuum a surface
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
vacuum
3e persoon enkelvoud
vacuums
onvoltooid deelwoord
vacuuming
onvoltooid verleden tijd
vacuumed
voltooid deelwoord
vacuumed
Voorbeelden
The housekeeper vacuumed the entire house before guests arrived.
De huishoudster stofzuigde het hele huis voordat de gasten arriveerden.
Vacuum
01
stofzuiger, elektrische stofzuiger
an electrical appliance that cleans surfaces by suction
Voorbeelden
Cordless vacuums are convenient for quick cleanups.
Draadloze stofzuigers zijn handig voor snelle schoonmaakbeurten.
02
vacuüm, lege ruimte
an empty area or gap in a physical sense
Voorbeelden
The cavity left by the excavation created a vacuum in the ground.
De holte die door de opgraving achterbleef, creëerde een vacuüm in de grond.
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
vacuums
Voorbeelden
The vacuum inside a cathode-ray tube allows electrons to travel from the cathode to the anode without encountering air molecules, facilitating the display of images.
Het vacuüm in een kathodestraalbuis zorgt ervoor dat elektronen van de kathode naar de anode kunnen reizen zonder luchtmoleculen tegen te komen, wat het weergeven van beelden vergemakkelijkt.
04
vacuüm, leemte
a gap, lack, or absence in a situation, system, or abstract context
Voorbeelden
Technological progress left a vacuum in older industries.
Technologische vooruitgang liet een vacuüm achter in oudere industrieën.



























