Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Uniform
01
uniform
the special set of clothes that all members of an organization or a group wear at work, or children wear at a particular school
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
uniforms
Voorbeelden
The police officer 's uniform was decorated with shiny badges and a badge.
Het uniform van de politieagent was versierd met glanzende badges en een badge.
uniform
01
uniform, consistent
consistent in form or character
Voorbeelden
The instructions were written in a uniform font to ensure clarity.
De instructies waren geschreven in een uniform lettertype om duidelijkheid te waarborgen.
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
most uniform
vergrotende trap
more uniform
gradueerbaar
Voorbeelden
A uniform coating of paint ensured the wall looked smooth and even.
Een uniforme laag verf zorgde ervoor dat de muur er glad en egaal uitzag.
03
uniform, homogeen
the same throughout in structure or composition
04
uniform, gelijkmatig verdeeld
evenly spaced
to uniform
01
uitrusten met uniformen, voorzien van uniformen
provide with uniforms
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
uniform
3e persoon enkelvoud
uniforms
onvoltooid deelwoord
uniforming
onvoltooid verleden tijd
uniformed
voltooid deelwoord
uniformed
Lexicale Boom
uniformise
uniformity
uniformize
uniform



























