Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to beset
01
kwellen, lastigvallen
to cause someone ongoing worry or irritation
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
beset
3e persoon enkelvoud
besets
onvoltooid deelwoord
besetting
onvoltooid verleden tijd
beset
voltooid deelwoord
beset
Voorbeelden
The small team was beset by tight deadlines and heavy workloads.
Het kleine team werd geplaagd door strakke deadlines en zware werklasten.
02
bestormen, lastigvallen
to threaten or attack on all sides
Voorbeelden
A wave of bugs beset the crops before harvest.
Een golf van insecten omringde de gewassen voor de oogst.
03
versieren, tooien
to cover something with ornaments or small items
Voorbeelden
The gown 's bodice was beset with sequins and beads.
Het lijfje van de jurk was bezet met pailletten en kralen.



























