Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to spring up
[phrase form: spring]
01
opkomen, ontstaan
to begin to exist very quickly
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
up
basiswerkwoord
spring
tegenwoordige tijd
spring up
3e persoon enkelvoud
springs up
onvoltooid deelwoord
springing up
onvoltooid verleden tijd
sprang up
voltooid deelwoord
sprung up
Voorbeelden
The city council sprang up a new park for the community.
De gemeenteraad heeft snel een nieuw park voor de gemeenschap opgericht.
02
plotseling verschijnen, opduiken
to appear suddenly and quickly
Voorbeelden
New shops often spring up in busy areas.
Nieuwe winkels schieten vaak als paddenstoelen uit de grond in drukke gebieden.
03
snel opstaan, opspringen
to quickly stand up or jump up
Voorbeelden
The child sprang up excitedly when he saw the birthday cake.
Het kind sprong op opgewonden toen het de verjaardagstaart zag.



























