shin
shin
ʃɪn
shin
/ʃˈɪn/

Definitie en betekenis van "shin"in het Engels

01

scheen, scheenbeen

the front part of the leg that is between the foot and the knee
shin definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
shins
Voorbeelden
After the fall, she noticed a bruise forming on her shin.
Na de val merkte ze dat er een blauwe plek op haar scheenbeen ontstond.
02

schenkel, onderbeen

a cut of meat from the lower portion of an animal's leg
shin definition and meaning
Voorbeelden
They braised the shin for several hours to tenderize it.
Ze hebben de schenkel urenlang gestoofd om hem mals te maken.
03

scheenbeen, tibia

the larger, inner bone of the human lower leg, extending from the knee to the ankle
Voorbeelden
He suffered a shin injury while skiing.
Hij liep een scheenbeenblessure op tijdens het skiën.
04

sjin, sjin

the twenty-second letter of the Hebrew alphabet
Voorbeelden
Shin appears at the beginning of many Hebrew words.
Shin verschijnt aan het begin van veel Hebreeuwse woorden.
to shin
01

klimmen, omhoog klauteren

to climb something, typically using hands and feet, often awkwardly or by scrambling
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
shin
3e persoon enkelvoud
shins
onvoltooid deelwoord
shinning
onvoltooid verleden tijd
shinned
voltooid deelwoord
shinned
Voorbeelden
She shinned the rock face to reach a higher ledge.
Ze klom de rotswand op om een hogere richel te bereiken.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store