Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
kamer, ruimte
a space in a building with walls, a floor, and a ceiling where people do different activities
Voorbeelden
There is a small room next to the living room for reading.
Er is een kleine kamer naast de woonkamer om te lezen.
Voorbeelden
The garden has room for a small vegetable patch if we rearrange the flowers.
De tuin heeft ruimte voor een kleine groentetuin als we de bloemen herschikken.
Voorbeelden
The discussion allowed room for different viewpoints to be expressed.
De discussie liet ruimte voor het uiten van verschillende standpunten.
04
publiek, toehoorders
the individuals who are physically present in a room
Voorbeelden
The room grew quiet as the teacher entered, and all eyes turned to her.
De kamer werd stil toen de leraar binnenkwam, en alle ogen richtten zich op haar.
to room
01
een kamer delen, samenwonen
to live or stay in the same room or housing with another person
Intransitive
Voorbeelden
When I studied abroad, I roomed with a local student to improve my language skills.
Toen ik in het buitenland studeerde, deelde ik een kamer met een lokale student om mijn taalvaardigheid te verbeteren.
02
huisvesten, onderbrengen
to assign or place individuals to live or stay in the same room with another
Voorbeelden
When we arrived at the dorms, they roomed me with a complete stranger.
Toen we aankwamen in de slaapzalen, plaatsten ze me bij een volslagen vreemdeling.
Lexicale Boom
roomy
room



























