Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to recur
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
toestandswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
recur
3e persoon enkelvoud
recurs
onvoltooid deelwoord
recurring
onvoltooid verleden tijd
recurred
voltooid deelwoord
recurred
Voorbeelden
The pain in his knee recurred every time he tried to run.
De pijn in zijn knie keerde terug elke keer dat hij probeerde te rennen.
Voorbeelden
During the debate, he frequently recurred to his original argument.
Tijdens het debat keerde hij vaak terug naar zijn oorspronkelijke argument.
03
terugkeren, weer opkomen
to come back into one's thoughts or memories, often unexpectedly
Intransitive: to recur | to recur to sb
Voorbeelden
The image of the accident kept recurring in his mind long after it happened.
Het beeld van het ongeluk keerde nog lang daarna steeds weer terug in zijn gedachten.
Lexicale Boom
recurrence
recurring
recursion
recur



























