panic
pa
ˈpæ
nic
nɪk
nik
manictannicstannictitanic

Definitie en betekenis van "panic"in het Engels

01

paniek, schrik

a feeling of extreme fear and anxiety that makes one unable to think clearly 
panic definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
meervoudsvorm
panics
Voorbeelden
The fire alarm caused everyone to rush out in panic. 

Het brandalarm zorgde ervoor dat iedereen in paniek naar buiten rende.

02

paniek, hysterie

a rapid spread of financial fear that drives people or markets into rushed, unstable actions 
Voorbeelden
The bank collapse triggered a panic in the markets. 

De bankinstorting veroorzaakte een paniek op de markten.

to panic
01

in paniek raken, panikeren

to be suddenly overwhelmed by intense fear, often leading to irrational or wild actions 
Intransitive
to panic definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
panic
3e persoon enkelvoud
panics
onvoltooid deelwoord
panicking
onvoltooid verleden tijd
panicked
voltooid deelwoord
panicked
Voorbeelden
The loud noise caused the crowd to panic and stampede. 

Het harde geluid veroorzaakte paniek en een stormloop in de menigte.

02

in paniek brengen, doen schrikken

to cause someone to feel sudden fear or anxiety 
Transitive: to panic sb
Voorbeelden
The fire alarm panicked everyone in the building. 

Het brandalarm veroorzaakte paniek bij iedereen in het gebouw.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store