Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
meervoudsvorm
panics
Voorbeelden
The fire alarm caused everyone to rush out in panic.
Het brandalarm zorgde ervoor dat iedereen in paniek naar buiten rende.
02
paniek, hysterie
a rapid spread of financial fear that drives people or markets into rushed, unstable actions
Voorbeelden
The bank collapse triggered a panic in the markets.
De bankinstorting veroorzaakte een paniek op de markten.
to panic
01
in paniek raken, panikeren
to be suddenly overwhelmed by intense fear, often leading to irrational or wild actions
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
panic
3e persoon enkelvoud
panics
onvoltooid deelwoord
panicking
onvoltooid verleden tijd
panicked
voltooid deelwoord
panicked
Voorbeelden
The loud noise caused the crowd to panic and stampede.
Het harde geluid veroorzaakte paniek en een stormloop in de menigte.
02
in paniek brengen, doen schrikken
to cause someone to feel sudden fear or anxiety
Transitive: to panic sb
Voorbeelden
The fire alarm panicked everyone in the building.
Het brandalarm veroorzaakte paniek bij iedereen in het gebouw.



























