Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to overshadow
01
overschaduwen, in de schaduw stellen
to cause a person or thing to come across as less significant
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
overshadow
3e persoon enkelvoud
overshadows
onvoltooid deelwoord
overshadowing
onvoltooid verleden tijd
overshadowed
voltooid deelwoord
overshadowed
Voorbeelden
His older brother's achievements in sports overshadowed his own academic success in the family.
De prestaties van zijn oudere broer in de sport overtroffen zijn eigen academische succes in de familie.
02
overschaduwen, schaduw werpen op
to cast a shadow over something, partially or fully blocking light
Voorbeelden
The tree's branches overshadowed the garden.
De takken van de boom overschaduwden de tuin.
03
overschaduwen, verduisteren
to cast gloom, dampen mood, or reduce brightness, hope, or joy
Voorbeelden
The tragic news overshadowed the celebrations.
Het tragische nieuws overschaduwde de vieringen.
Lexicale Boom
overshadow
shadow



























