one
Pronunciation
/wʌn/
British pronunciation
/wʌn/

Definitie en betekenis van "one"in het Engels

01

één

the number 1
one definition and meaning
example
Voorbeelden
She has one brother and two sisters.
Ze heeft één broer en twee zussen.
01

een dollarbiljet, een dollar

a piece of paper money worth one-dollar
one definition and meaning
example
Voorbeelden
The tip jar was full of ones and a few fives.
De fooienpot zat vol met één dollarbiljetten en een paar vijf dollarbiljetten.
02

één, een

a single person or thing
01

een, een

used to refer to a single person or thing
example
Voorbeelden
One bird flew across the sky during the sunrise.
Eén vogel vloog over de lucht tijdens zonsopgang.
01

één, uniek

having the indivisible character of a unit
1.1

één, uniek

being a single entity made by combining separate components
1.2

gelijk, vergelijkbaar

of the same kind or quality
02

erg, super

(informal) very; used informally as an intensifier
03

een, zeker

indefinite in time or position
04

weergaloos, uniek

eminent beyond or above comparison
01

Men, Iemand

used to make general statements, express opinions, or provide advice without referring to specific individuals
example
Voorbeelden
One can not achieve success without hard work and dedication.
Men kan geen succes behalen zonder hard werken en toewijding.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

stars

app store