
Zoeken
audibly
01
duidelijk, luidop
in a way that is loud enough to be heard
Example
The professor spoke audibly to ensure that all students could hear the lecture clearly.
De professor sprak duidelijk, luidop om ervoor te zorgen dat alle studenten de lezing helder konden horen.
The footsteps approached audibly, alerting everyone to the arrival of an unexpected guest.
De voetstappen naderden duidelijk, luidop, en waarschuwden iedereen voor de komst van een onverwachte gast.
word family
aud
Noun
audible
Adjective
audibly
Adverb
inaudibly
Adverb
inaudibly
Adverb

Nabije Woorden