to assail
a
ə
ē
ssail
ˈseɪl
seil
assoil

Definitie en betekenis van "assail"in het Engels

to assail
01

aanvallen, gewelddadig aanvallen

to launch a vigorous or violent attack on someone or something, either physically or verbally 
to assail definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
assail
3e persoon enkelvoud
assails
onvoltooid deelwoord
assailing
onvoltooid verleden tijd
assailed
voltooid deelwoord
assailed
Voorbeelden
The boxer assailed his opponent with a flurry of punches in the final round. 

De bokser bestormde zijn tegenstander met een regen van stoten in de laatste ronde.

02

aanvallen, bekritiseren

attack in speech or writing 
03

aanvallen, bestormen

launch an attack or assault on; begin hostilities or start warfare with 
04

aanvallen, overvallen

(of feelings or sensations) to worry or upset someone suddenly and profoundly 
Transitive
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store