assail
a
ə
ē
ssail
ˈseɪl
seil
/ɐsˈe‍ɪl/

Definitie en betekenis van "assail"in het Engels

to assail
01

aanvallen, gewelddadig aanvallen

to launch a vigorous or violent attack on someone or something, either physically or verbally
to assail definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
assail
3e persoon enkelvoud
assails
onvoltooid deelwoord
assailing
onvoltooid verleden tijd
assailed
voltooid deelwoord
assailed
Voorbeelden
Burglars assailed the homeowner as he entered, demanding money and valuables.
Inbrekers overvielen de huiseigenaar toen hij binnenkwam, waarbij ze om geld en waardevolle spullen vroegen.
02

aanvallen, bekritiseren

attack in speech or writing
03

aanvallen, bestormen

launch an attack or assault on; begin hostilities or start warfare with
04

aanvallen, overvallen

(of feelings or sensations) to worry or upset someone suddenly and profoundly
Transitive
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store