Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to live down
[phrase form: live]
01
goedmaken, overkomen
to move past a negative reputation, embarrassing situation, or mistake by demonstrating better behavior over time
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
down
basiswerkwoord
live
tegenwoordige tijd
live down
3e persoon enkelvoud
lives down
onvoltooid deelwoord
living down
onvoltooid verleden tijd
lived down
voltooid deelwoord
lived down
Voorbeelden
The family was determined to live down the shame of their past mistakes.
Het gezin was vastbesloten om de schaamte van hun fouten uit het verleden te overwinnen.



























