Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
übertreiben
01
overdrijven, overdrijven
Etwas stärker oder bedeutender darstellen, als es wirklich ist
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
treiben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
übertreibe
3e persoon enkelvoud
übertreibt
onvoltooid deelwoord
übertreibend
onvoltooid verleden tijd
übertrieb
voltooid deelwoord
übertrieben
Voorbeelden
Er übertreibt immer mit seinen Geschichten.
Hij overdrijft altijd met zijn verhalen.



























