zugreifen
zugreifen
tsu:gʁaɪ̯fn
tsoograifn

Definitie en betekenis van "zugreifen"in het Duits

zugreifen
01

grijpen, vastpakken

Mit den Händen etwas schnell oder fest ergreifen, um es zu halten, zu bewegen oder zu verhindern, dass es fällt 
zugreifen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
zu
basiswerkwoord
greifen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
greife zu
3e persoon enkelvoud
greift zu
onvoltooid deelwoord
zugreifend
onvoltooid verleden tijd
griff zu
voltooid deelwoord
hat gegriffen
Voorbeelden
Das Kind griff nach der herunterfallenden Puppe. 

Het kind greep de vallende pop.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store