Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
zugreifen
01
grijpen, vastpakken
Mit den Händen etwas schnell oder fest ergreifen, um es zu halten, zu bewegen oder zu verhindern, dass es fällt
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
zu
basiswerkwoord
greifen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
greife zu
3e persoon enkelvoud
greift zu
onvoltooid deelwoord
zugreifend
onvoltooid verleden tijd
griff zu
voltooid deelwoord
hat gegriffen
Voorbeelden
Er griff mit einer Hand nach dem Geländer.
Hij greep de leuning met één hand.



























