Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
verstehen
01
begrijpen, verstaan
Den Sinn von etwas erkennen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
stehen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
verstehe
3e persoon enkelvoud
versteht
onvoltooid deelwoord
verstehend
onvoltooid verleden tijd
verstand
voltooid deelwoord
verstanden
Voorbeelden
Sie versteht den Text gut.
Ze begrijpt de tekst goed.
02
overweg kunnen, goed overweg kunnen
Gut miteinander auskommen
Voorbeelden
Vater und Sohn verstehen sich.
Vader en zoon begrijpen elkaar.
03
beheersen, controleren
Etwas gut können oder beherrschen
Voorbeelden
Ich verstehe nichts von Autos.
Ik begrijp niets van auto's.



























