Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sorgen
[past form: sorgte]
01
zorgen maken, bezorgd zijn
Angst oder Sorge um jemanden oder etwas haben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
sorge
3e persoon enkelvoud
sorgt
onvoltooid deelwoord
sorgend
onvoltooid verleden tijd
sorgte
voltooid deelwoord
gesorgt
Voorbeelden
Wir sorgen uns wegen der Prüfung.
We maken ons zorgen vanwege het examen.
02
zorgen voor, verzorgen
Für jemanden oder etwas verantwortlich sein und darauf achten
Voorbeelden
Wir sorgen für die Blumen im Garten.
Wij zorgen voor de bloemen in de tuin.
03
regelen, organiseren
Für etwas sorgen heißt, dass man etwas in die Wege leitet oder erledigt
Voorbeelden
Ich sorge für den Getränke-Nachschub.
Ik zorg voor de drankvoorraad.



























