Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
schütteln
01
schudden, door elkaar schudden
Etwas oder jemanden mit schnellen, wiederholten Bewegungen hin und her bewegen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
schüttele
3e persoon enkelvoud
schüttelt
onvoltooid deelwoord
schüttelnd
onvoltooid verleden tijd
schüttelte
voltooid deelwoord
geschüttelt
Voorbeelden
Sie schüttelt die Flasche vor dem Öffnen.
Ze schudt de fles voor het openen.



























