schießen
schie
ˈʃi:
shi
ßen
sən
sēn
schinkenschienenschließenscheißen

Definitie en betekenis van "schießen"in het Duits

schießen
01

schieten, werpen

Einen Ball oder etwas mit großer Kraft wegtreten oder werfen 
schießen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
either
1e persoon enkelvoud
schieße
3e persoon enkelvoud
schießt
onvoltooid deelwoord
schießend
onvoltooid verleden tijd
schoss
voltooid deelwoord
geschossen
Voorbeelden
Er schießt den Ball ins Tor. 

Hij schiet de bal in het doel.

02

schieten, vuren

Eine Waffe abfeuern oder einen Schuss abgeben 
schießen definition and meaning
Voorbeelden
Der Jäger schießt auf das Wild. 

De jager schiet op het wild.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store