schiefgehen
Pronunciation
/ˈʃiːfˌɡeːən/

Definitie en betekenis van "schiefgehen"in het Duits

schiefgehen
01

misgaan, falen

Nicht wie geplant verlaufen
schiefgehen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
schief
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe schief
3e persoon enkelvoud
geht schief
onvoltooid deelwoord
schiefgehend
onvoltooid verleden tijd
ging schief
voltooid deelwoord
schiefgegangen
Voorbeelden
Alles ist zwischen ihnen schiefgegangen.
Alles is misgegaan tussen hen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store